Book XXIII
Mondriaan Fonds aanvraag regeling Kunstenaar Basis
16 gerechten / Degusteren / Verteren
Afwijzing / Nadere motivatie / Beschouwing / Vervolg
Geacht bestuur van het Mondriaan Fonds,
Geachte heer Koelman,
Dank voor uw brief van 16 juni jl. en voor de nadere toelichting op het advies van de commissie Kunstenaar Basis.
Deze reactie is niet bedoeld als bezwaar tegen de uitkomst van de procedure, noch als een poging het artistieke oordeel van de commissie te weerleggen. Een onafhankelijke commissie heeft de taak een praktijk te beoordelen en tot een afweging te komen. Dat oordeel respecteer ik.
Wat mij bij lezing van de toelichting echter bezighoudt, is niet in de eerste plaats de afwijzing zelf, maar een spanning die daarin zichtbaar wordt. Die spanning raakt niet alleen mijn aanvraag, maar ook bredere vragen over hoe hedendaagse kunst wordt herkend, gewogen en gelegitimeerd.
In haar advies schrijft de commissie dat zij waardering heeft voor de theoretisch-filosofische benadering van de praktijk, maar dat zij de artistieke uitgangspunten niet overtuigend vertaald acht naar werk met voldoende beeldende kwaliteit en zeggingskracht. Tevens stelt zij dat te zeer een artistiek-inhoudelijke visie wordt gemist
Wat mij hierin treft is niet het negatieve oordeel, maar de impliciete scheiding die daarin wordt verondersteld tussen visie, werk, infrastructuur en context. De aanvraag vertrekt juist vanuit een praktijk waarin dergelijke categorieën niet vanzelfsprekend van elkaar gescheiden zijn. Niet omdat die scheiding principieel wordt afgewezen, maar omdat zij zelf onderdeel wordt van het onderzoek.
De vraag die daardoor ontstaat is niet of de commissie gelijk heeft of ongelijk, maar vanuit welk begrip van kunst een dergelijke scheiding wordt gemaakt en op welk moment deze als vanzelfsprekend wordt beschouwd.
Iets vergelijkbaars geldt voor de begrippen die verder in de beoordeling worden gehanteerd: kwaliteit, ontwikkeling, relevantie, communicatie, erkenning en ondernemerschap. Dit zijn geen neutrale beschrijvingen. Het zijn werkzame categorieën die mede bepalen welke praktijken zichtbaar worden, welke vormen van kunstenaarschap herkenbaar zijn en welke ontwikkelingen binnen het veld als betekenisvol kunnen verschijnen.
Juist daarom viel mij op dat de toelichting weinig inzicht geeft in de wijze waarop deze begrippen in relatie tot de aanvraag zijn geïnterpreteerd. Dat is geen verwijt. Elke beoordeling moet zich noodzakelijkerwijs beperken. Tegelijkertijd maakt die beperking zichtbaar hoe sterk dergelijke termen functioneren als institutionele instrumenten: zij ordenen, onderscheiden en legitimeren, zonder dat hun betekenis volledig expliciet gemaakt kan worden.
Voor mij ligt hier een interessante parallel met het beleidsplan 2025–2028 van het Mondriaan Fonds. In dat beleidsplan beschrijft het fonds de ambitie om voorbij bestaande normen te kijken, ruimte te bieden aan andere perspectieven en kritisch te reflecteren op de kaders waarbinnen kunst wordt beoordeeld en gewaardeerd. Het beleidsplan erkent daarmee dat kwaliteit, relevantie en waarde niet vanzelfsprekende grootheden zijn, maar historisch en institutioneel gevormde categorieën.
Tegelijkertijd kan een fonds slechts functioneren door onderscheidingen aan te brengen. Het moet bepalen wat voldoende kwaliteit bezit, welke ontwikkeling overtuigt, welke praktijk relevant is en welke vormen van erkenning of ondernemerschap betekenisvol worden geacht.
Hier lijkt een fundamentele spanning zichtbaar te worden. Om bestaande normen te kunnen bevragen, moet een instelling zich bewust zijn van haar eigen beoordelingskaders. Om besluiten te kunnen nemen, moet zij diezelfde kaders tegelijkertijd toepassen. De norm verschijnt daarmee zowel als object van reflectie als instrument van handelen.
Ik beschouw dit niet als een inconsistentie of tekortkoming. Het is eerder een structurele conditie van iedere instelling die zich tegelijkertijd wil vernieuwen en zichzelf wil beoordelen. Juist daarom interesseert deze correspondentie mij. Niet omdat zij een positief of negatief oordeel bevat, maar omdat zij zichtbaar maakt hoe een institutioneel systeem omgaat met praktijken die zich mede richten op de voorwaarden waaronder erkenning, kwaliteit, legitimiteit en betekenis worden geproduceerd.
In dat licht beschouw ik de schriftelijke reactie van de commissie niet uitsluitend als een oordeel over een aanvraag, maar ook als een document dat zelf actief deelneemt aan de productie van die categorieën. Zij vormt daarmee niet alleen een beoordeling van de praktijk, maar ook een verdere manifestatie van het veld waarin die praktijk opereert.
Misschien ligt de meest interessante vraag daarom niet bij deze aanvraag, noch bij de commissie, maar in de ruimte daartussen. Hoe wordt iets herkend waarvoor nog geen volledig gedeeld kader van herkenning bestaat? Hoe stelt een instelling vast dat zij voorbij bestaande normen kijkt wanneer de instrumenten waarmee gekeken wordt zelf mede door die normen zijn gevormd?
Ik verwacht geen definitief antwoord op deze vragen. Mogelijk ligt hun betekenis juist in het openhouden ervan. De taal waarmee kunst wordt gewogen bepaalt immers mede welke vormen van kunst zichtbaar worden, welke ontwikkelingen als waardevol gelden en welke toekomsten binnen het kunstveld denkbaar worden gemaakt.
In die zin beschouw ik dit dossier niet als afgesloten, maar als een aanleiding tot verdere reflectie op een vraagstuk dat de individuele aanvraag overstijgt.
Met vriendelijke groet,
Jan van der Til