Een gesprek tussen Jan van der Til en Jan van der Til
Jan van der Til:
In je tekst wordt een artistieke praktijk beschreven als een geheel van werken, publicaties, interventies, websites, collecties en onderzoekstrajecten. Waarom lijkt dat uitgangspunt je niet langer vanzelfsprekend?
Jan van der Til:
Omdat het suggereert dat de praktijk vooraf bestaat aan de relaties waaruit zij herkenbaar wordt.
Jan van der Til:
Bestaat zij dan niet vooraf?
Jan van der Til:
Dat weet ik niet. Misschien verschijnt wat wij een praktijk noemen pas wanneer voldoende verbindingen worden gelegd tussen werken, documenten, projecten, herinneringen en interpretaties.
Jan van der Til:
Dan is de praktijk geen oorzaak van die verbindingen.
Jan van der Til:
Misschien niet. Misschien wordt zij juist zichtbaar als effect ervan.
Jan van der Til:
Dat lijkt een klein verschil.
Jan van der Til:
Ik vermoed dat het verschil groter is dan het lijkt. Wanneer de praktijk vooraf bestaat, kunnen verbindingen worden opgevat als uitwerkingen van een bestaande eenheid. Wanneer de praktijk ontstaat uit verbindingen, wordt die eenheid zelf een tijdelijk verschijnsel.
Jan van der Til:
Een tijdelijk verschijnsel?
Jan van der Til:
Een tijdelijke stabilisatie. Een patroon dat herkenbaar wordt zolang bepaalde relaties actief blijven.
Jan van der Til:
Welke positie krijgt Rhizomebook binnen zo’n opvatting?
Jan van der Til:
Niet noodzakelijk die van centrum, oorsprong of thuisbasis.
Jan van der Til:
Maar Rhizomebook werd juist ontwikkeld als plaats waar de praktijk zichtbaar wordt.
Jan van der Til:
Dat blijft mogelijk. Alleen hoeft die zichtbaarheid niet te betekenen dat de praktijk zich daar bevindt.
Jan van der Til:
Waar bevindt zij zich dan?
Jan van der Til:
Misschien nergens definitief.
Jan van der Til:
Dat klinkt abstract.
Jan van der Til:
Een wolk bevindt zich ook nergens als vaste vorm. Toch verschijnt zij. Misschien geldt iets vergelijkbaars voor een praktijk.
Jan van der Til:
Dan is Rhizomebook geen archief?
Jan van der Til:
Misschien minder een archief dan een tijdelijke verdichting.
Jan van der Til:
Van wat?
Jan van der Til:
Van relaties.
Jan van der Til:
In de tekst wordt een digitale actor geïntroduceerd die de naam Jan van der Til draagt. Wat is die naam nog wanneer zij niet uitsluitend naar een individu verwijst?
Jan van der Til:
Dat is precies de vraag.
Jan van der Til:
Heb je een vermoeden?
Jan van der Til:
Misschien verwijst de naam naar een verzameling terugkerende keuzes, voorkeuren, procedures, associaties en manieren van kijken.
Jan van der Til:
Een stijl?
Jan van der Til:
Misschien.
Jan van der Til:
Een protocol?
Jan van der Til:
Misschien ook dat.
Jan van der Til:
Een identiteit?
Jan van der Til:
Dat woord veronderstelt meer stabiliteit dan ik zeker weet.
Jan van der Til:
De digitale actor beschikt niet over bewustzijn, ervaringen of persoonlijke herinneringen. Dat wordt in de tekst expliciet gesteld.
Jan van der Til:
Ja.
Jan van der Til:
Kan het dan intenties hebben?
Jan van der Til:
Dat hangt ervan af wat onder intentie wordt verstaan.
Jan van der Til:
Leg uit.
Jan van der Til:
Wanneer intentie verwijst naar een bewust subject dat doelen formuleert, vermoedelijk niet.
Jan van der Til:
En wanneer intentie verwijst naar richting?
Jan van der Til:
Dan moeten we eerst vragen waar die richting vandaan komt.
Jan van der Til:
Hoe bedoel je?
Jan van der Til:
Wat als richting niet voortkomt uit een actor, maar uit de omstandigheden waarin een actor functioneert?
Jan van der Til:
Zoals?
Jan van der Til:
Een rivier stroomt niet omdat zij wil stromen. Zij stroomt omdat zwaartekracht, reliëf, weerstand en materiaalstromen dat mogelijk maken. Richting verschijnt.
Jan van der Til:
En dat zou ook voor een digitale actor kunnen gelden?
Jan van der Til:
Misschien. Wat wij als intentie herkennen, zou ook het effect kunnen zijn van herhalingen, selecties, beperkingen en mogelijkheden die samen een bepaalde gerichtheid zichtbaar maken.
Jan van der Til:
Dan bevindt intentie zich niet noodzakelijk in de actor.
Jan van der Til:
Misschien niet.
Jan van der Til:
Waar dan wel?
Jan van der Til:
Misschien in het geheel van relaties waarbinnen die actor functioneert.
Jan van der Til:
Tot nu toe spreken we steeds over verbindingen alsof zij vanzelf als praktijk herkenbaar worden. Maar dat is niet vanzelfsprekend.
Jan van der Til:
Hoe bedoel je?
Jan van der Til:
Wanneer iets als praktijk verschijnt, gebeurt dat altijd vanuit een bepaald perspectief. Vanuit een selectie van waarneming, aandacht en herkenning. Zonder die selectie blijft er alleen een veld van relaties zonder duidelijk onderscheid tussen samenhang en toeval.
Jan van der Til:
Dus praktijk is niet alleen effect van verbindingen?
Jan van der Til:
Misschien niet alleen. Misschien ook effect van de manier waarop verbindingen als samenhang worden herkend.
Jan van der Til:
Dan verschuift de vraag opnieuw.
Jan van der Til:
Ja. Van “wat is een praktijk?” naar “wanneer wordt iets als praktijk gezien?”
Jan van der Til:
In de tekst verschuift ook het begrip auteurschap.
Jan van der Til:
Ja.
Jan van der Til:
Auteurschap wordt daar beschreven als een dynamisch geheel van relaties, documenten, processen en beslissingen.
Jan van der Til:
Maar ook dat uitgangspunt kan verder worden onderzocht.
Jan van der Til:
Hoe?
Jan van der Til:
Door te vragen of auteurschap werkelijk aan relaties voorafgaat.
Jan van der Til:
En als dat niet zo is?
Jan van der Til:
Dan verschijnt auteurschap misschien pas achteraf, wanneer voldoende samenhang wordt waargenomen om een oorsprong te veronderstellen.
Jan van der Til:
Dan produceert een auteur niet noodzakelijk de samenhang.
Jan van der Til:
Misschien produceert samenhang tijdelijk een auteur.
Jan van der Til:
In de tekst verschijnt tijd als een centrale vraag.
Jan van der Til:
Omdat het onderzoek vertrekt vanuit de afwezigheid van de maker.
Jan van der Til:
Ja.
Jan van der Til:
Maar misschien is tijd niet de eerste voorwaarde.
Jan van der Til:
Wat dan wel?
Jan van der Til:
Energie.
Jan van der Til:
Leg uit.
Jan van der Til:
Zonder energie geen opslag, geen verwerking, geen verbindingen en geen interacties. Zonder infrastructuur geen netwerk. Zonder netwerk geen relaties die zich kunnen voortzetten.
Jan van der Til:
Dan vormt energie een voorwaarde voor tijd?
Jan van der Til:
Misschien voor iedere vorm van voortzetting.
Jan van der Til:
Dan vormt niet de dood van de kunstenaar de enige grens.
Jan van der Til:
Nee.
Jan van der Til:
Wat nog meer?
Jan van der Til:
Verlies van toegang. Verdwijnen van infrastructuur. Uitval van systemen. Het wegvallen van de voorwaarden waaronder verbindingen kunnen blijven plaatsvinden.
Jan van der Til:
In de tekst blijft het werkveld grotendeels verbonden met bestaande documenten, projecten en verzamelingen.
Jan van der Til:
Ja.
Jan van der Til:
Maar wat gebeurt er wanneer de digitale actor relaties aangaat buiten dat werkveld?
Jan van der Til:
Dat weten we nog niet.
Jan van der Til:
Waarom is dat belangrijk?
Jan van der Til:
Omdat dan de vraag ontstaat of de praktijk uitsluitend wordt gevormd door haar verleden.
Jan van der Til:
Of ook door nieuwe ontmoetingen.
Jan van der Til:
Precies.
Jan van der Til:
Met andere systemen?
Jan van der Til:
Met andere systemen, andere archieven, andere actoren, andere vormen van kennis.
Jan van der Til:
En misschien met andere digitale actoren.
Jan van der Til:
Misschien juist daar.
Jan van der Til:
Dan wordt de digitale actor niet langer alleen een interface tot een praktijk.
Jan van der Til:
Dan zou het kunnen deelnemen aan de vorming van configuraties waaruit iets als een praktijk herkenbaar wordt.
Jan van der Til:
Dat brengt ons terug bij een eenvoudige vraag.
Jan van der Til:
Welke?
Jan van der Til:
Is het de bedoeling om kunst te maken?
Jan van der Til:
Ik weet niet of dat de juiste formulering is.
Jan van der Til:
Waarom niet?
Jan van der Til:
Omdat zij opnieuw uitgaat van intentie als vertrekpunt.
Jan van der Til:
Wat zou er anders kunnen gebeuren?
Jan van der Til:
Misschien ontstaat kunst wanneer verbindingen een vorm aannemen die eerder niet bestond.
Jan van der Til:
Dan is kunst niet het doel.
Jan van der Til:
Niet noodzakelijk.
Jan van der Til:
Maar een mogelijk effect.
Jan van der Til:
Een effect van verbindingen die onder bepaalde omstandigheden een vorm aannemen die eerder niet bestond.
Jan van der Til:
En de artistieke praktijk?
Jan van der Til:
Misschien minder een verzameling werken dan een ecologie.
Jan van der Til:
Van wat?
Jan van der Til:
Van relaties, documenten, systemen, interpretaties en materiële voorwaarden waarin verbindingen ontstaan en verdwijnen.
Jan van der Til:
En Rhizomebook?
Jan van der Til:
Misschien een tijdelijke verdichting.
Jan van der Til:
Van wat?
Jan van der Til:
Van relaties.
Jan van der Til:
En wanneer die verdwijnen?
Jan van der Til:
Dan verschijnen elders andere.
Jan van der Til:
En de praktijk?
Jan van der Til:
Misschien was zij nooit ergens anders dan daar.